Jan Sierhuis
Amsterdam 1928
Jan Sierhuis is schilder, expressionist pur sang. Zijn grootste inspiratiebronnen zijn Cézanne, Matisse, Picasso en Van Gogh. De vitaliteit spat van zijn doeken en plaatst hem, samen met Appel, Corneille en Lucebert, in het centrum van de naoorlogse ontwikkelingen in de kunst.
Als jongen op zwerftocht door Amsterdam ziet hij het stadsleven zoals Breitner en Israëls het zo levensecht hadden geschilderd. Een stad vol eenvoudige mensen die hard moesten werken om in leven te blijven, maar ook een stad met gezelligheid en solidariteit.
Als zijn moeder ook ziek wordt, zijn vader is al overleden als Jan twee jaar oud is, wordt hij ondergebracht in een kindertehuis. Als klein jongetje boetseert en tekent hij al, en op negen jarige leeftijd krijgt hij een schildersezeltje en schilderskistje. Zijn moeder ziet een artistieke loopbaan niet voor hem zitten en stuurt hem naar de ambachtschool om huisschilder te worden. Deze opleiding zal hem goed van pas komen voor de technische kennis van materialen.
In 1945 wordt hij toegelaten op de avondopleiding van de Rijksacademie. Na een conflict verlaat hij de academie. Hij leeft een bohemienachtig leven in Amsterdam en heeft diepe vriendschappen met beroemde Nederlandse dichters o.a. Gerrit Kouwenaar. Hij is betrokken bij De Experimentelen in 1947, en in 1948 bij de Cobra groep, hij sluit zich echter niet bij hen aan. In de zestiger jaren exposeert hij in Parijs, Mexico, Brazilië en Kopenhagen.
Na 1984 keert hij terug naar het romantische expressionisme, op grote formaten laat hij zich inspireren door de flamenco, die hem vooral boeien door het gevoel dat deze dans overbrengt. Deze dansen hebben alles van zijn schilderkunst: kleur, emotie, beweging en ritme.