Swaanswijk

Lucebert

Alles wat me maar invalt schilder ik, ik teken en schilder van alles op alles.

Lucebert (1924 - 1994)  is in Amsterdam geboren onder de naam Lubertus Jacobus Swaanswijk. De dichter, tekenaar en schilder koos het pseudoniem Lucebert (lichtbrenger), wat tweemaal licht betekent, als om erop te wijzen dat zijn licht moest optornen tegen een duisternis die het oorspronkelijke licht van de schepping had weggeveegd.

In 1948 werd zijn dichtwerk ontdekt door Kouwenaar. Lucebert maakte deel uit van de Nederlandse Experimentele Groep en later ook van Cobra. Vanaf zijn debuut in Reflex (1949) met het antikoloniale gedicht Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia lopen maatschappelijke en artistieke opstandigheid parallel, in de vorm van onvrede met de burgerlijke orde.

Ook al werd Lucebert in zijn beginjaren als beeldend kunstenaar beïnvloed door mensen als Appel en Constant (vooral in zijn olieverfschilderijen waarbij mythische wezens en mensachtige dieren spontaan geschilderd zijn in nu eens felle en stralende, dan weer gedempte kleuren), toch nam hij al vrij snel afstand van de Cobragroep. Nog in deze vroegste ontplooiingsfase kan men duidelijk referenties naar het werk van Picasso, het Surrealisme, en vooral Dubuffet ontdekken. Het was pas vanaf de late jaren vijftig (of zelfs vroege jaren zestig) dat Lucebert zich nadrukkelijk als plastisch kunstenaar profileerde en zijn eigen stijl ontwikkelde.

In 1958 had hij in Haarlem een eenmanstentoonstelling en kreeg hij erkenning als schilder. In de daarop volgende jaren was zijn werk te zien op diverse tentoonstellingen onder andere in het Stedelijk Museum in Amsterdam (1959), op Documenta II in Kassel (1959), in Rotterdam (1964), Turijn (1971) en Mannheim (1982). In de jaren vijftig onderging Lucebert vele invloeden; in de jaren zestig boeide de aan de kindertekening herinnerende figuratie uit de Cobra-tijd hem. Al snel maakte die plaats voor een karikaturale, demonische visie op de wereld. De mythen die hij zowel in zijn expressionistische schilderijen als in zijn gedichten creëerde, waren geent op de wereld van de mensen en staan vol literaire toespelingen. Zowel in zijn schilderwerk als in zijn poëzie komen de principes van het antidogmatisme, het primitieve, het naïeve en het spontane naar voren. Tekenend voor Luceberts persoonlijke stijl is de niet aflatende energie, werkijver en creatiedrift. Iedere dag zette hij verschillende tekeningen, schilderijen en gouaches aan en zijn hele oeuvre telt dan ook ettelijke duizenden werken. Bij deze kunstenaar kan men werkelijk spreken van een symbiose tussen kunstproductie en leven: hij zette zijn levensenergie om in een bijna eindeloze reeks creaties.

Aan zijn visioenen, zijn wereld van gestalten kon hij niet ontkomen. 'Alles wat me maar invalt schilder ik, ik teken en schilder van alles op alles. De mogelijkheden zijn onbegrensd, de kunstenaar filtreert ze, weegt ze af, hij bepaalt zijn keuze en waagt telkens weer de sprong in de enige mogelijkheid die de zijne is'. Het beeldende denken vormde Luceberts dragende bodem.